Inleiding

Over dit onderwerp kan je heel veel vinden. 

Dit deel is dus zeker niet uitputtend maar geeft het onderwerp in relatie tot leren leren weer.

 

Hier zal je leren en lezen over:

- wat theorieën van vroeger over motivatie: drijfveer, conditioneren, cognitieve consistentie, humanistic.

- schets ik een model van motivatief leren en beschrijf de belangrijkste componenten.

- leg uit de belangrijkste functies in een model van achievement motivatie.

- bespreken we de causale verbanden in Weiner’s attributie theorie en de effecten die ze hebben in situaties dat je moet presteren.

- uitleg hoe het sociaal congnitieve proces van doelen en verwachtingen gevormd kan worden en hun interactie hebben op motivatie.

- onderscheidt maken tussen leer (proces) en performance (product) doelen en uitleggen hoe die de motivatie van leren kan beïnvloedden.



 

Historische perspectieven op motivatie

 

Theorie – Drive theorie

Kern

- Begon als psychologische theorie en werd later uitgebreid.

- Drive is een interne kracht die zoekt naar lichamelijke homeostatic lichaam balans. Wanneer een persoon of dier een tekort heeft aan een essentieel element (water, eten, .) dan activeerd dit een drive die maakt dat die mensen moet reageren. De drive verdwijnt als het element is verkregen.

Auteur: Woodworth (1918)

 

Hull (1943) maakte de definitie breder: pchygologische gebreken zijn primaire needs die de aanzet geven tot het reduceren van het tekort. Drive is de motiverrende kracht die energie geeft en start geeft aan mensen en dieren om in actie te schieten.

Need > Drive > Behavior


Definitie van Hull: Motivatie is de ‘start van geleerd of gewoonte pattronen van beweging of gedrag’. (Hull, 1943)

 

Kritiek

- Niet alle drive komt uit tekort aan fysieke zaken. (seks bijvoorbeeld)

- Drive kan sommige gedragingen uitleggen, maar die zitten met name in de korte termijn. Mensen hebben ook langere termijn doelen die zo niet uit te leggen zijn.

 

>> Toepassingen in instructie

De conclusie is dat Drive niet een goede theorie is om academische motivatie te begrijpen. 

 

Theorie – Conditioning Theory

Kern: Hier wordt motivatie uitgelegd in termen van response die ontlokt wordt door stimulie. (klassieke conditionering) of uitgeworpen wordt in de aanwezigheid van stimuli. (operant conditoning)

Auteur: Hier met name Skinner


Klassieke conditonering model

Unconditioneeerde stimulus > Conditionele stimulus 

Door dit herhaald te doen.

 

Operant conditonering

 


Theorie – Cognitieve Consistentie theorie

Kern: Deze theorie neemt aan dat motivatie een resultaat is van interactie tussen cognitie en gedrag. 

Deze theorie is homeostatic want het voorspeld dat wanneer er spanning zit tussen elementen dat het probleem opgelost moet worden door cognitieve zaken en gedragszaken consistent met elkaar te maken.


Er zijn twee belangrijke theorieen hier: Balance theorie en de Dissonance theorie

 

Theorie – Balans Theorie

Kern: De gedacht hier is dat mensen steeds een cognitieve balans willen hebben. Het gebruikt drie elementen die positief of negatief kunnen zijn.

- Wat in de driehoek zit kunnen zaken zijn zoals: Personen, Situaties, Events.

  

>> Toepassing op instructie

  

Kritiek

Dat mensen een balans willen hebben klinkt intuïtief logisch, maar er zitten problemen aan deze theorie. 

- Het verklaard dat mensen een balans zoeken, maar niet hoe ze dat doen.

- Het houdt ook geen rekening met het belang van relaties die niet in balans zijn. Mensen die ze belangrijk vinden willen ze iets mee doen, de andere zaken dan niet.

 

 

Theorie – Cognitieve dissonantie theorie

Kern: Mensen zoeken een consistentie tussen hun beliefs, attitudes, opinies en gedrag.

Auteur: Festinger (1957)

 

Theorie – Humanistic theorie

Kern

- Deze theorie is voor het grootste deel constructivistisch en legt de nadruk op cognitieve en affectieve processen. 

- Het adresseert mensen hun capaciteiten en potentie terwijl ze keuzes maken en controle  zoeken over hun leven.

 - Hieronder vallen Maslow, Hiërarchie van Needs, en Carl Rogers theorieën, de Client-centered therapie.

 

 

Theorie - Hiërarchie van needs theorie

..dit weet ik wel

 

Theorie – Actualizing Tendcey theory – de …. Theorie

Kern

Volgens Rogers is leven een voortdurend proces van persoonlijke groei of het bereiken van ‘geheelheid’.

 

Toepassingen in instructie

- Betekenisvolle, ontdekkend leren heeft relevantie voor de gehele persoon.

- Kan starten vanuit de mens zelf.

- En kan en wordt geëvalueerd door de student.

- Studenten zien betekeningvol leren als relevant want ze denken dat het ze helpt om persoonlijk te verbeteren.

 

- De rol van docenten is hier meer die van facilitator die een goed klasklimaat maakt met als doel, als oriëntatie, significant leren en het helpen van studenten met het helder krijgen van hun doelen.

- Docenten regelen de resources op de manier dat leren kan ontstaan en ook, omdat je als docent ook een resources bent, deel je jouw gedachtes en gevoelens met de studenten.

- In de plaats van het schrijven van lesplannen, facilitators zouden moeten zoeken naar materiaal voor studenten dat past bij hun behoefte.

- Individuele contracten, wij zouden zeggen onderwijsovereenkomsten, zijn belangrijk om de weg die de student neemt te beschrijven. En eventueel te laten samenlopen met anderen.

- De onderwijsovereenkomst geven de student redelijke vrijheid in het beslissen over doelen en timelines.

 

NOTE RR: Spreekt me het meeste aan: ‘De rol van docenten is hier meer die van facilitator die een goed klasklimaat maakt met als doel, als oriëntatie, significant leren en het helpen van studenten met het helder krijgen van hun doelen.’

  

>> Toepassing in instructie

Zie hierboven.



Modellen van gemotiveerd leren.

Motivatie en leren zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden.

 

Model van gemotiveerd leren

 

Pre-taken

Doelen

Verwachtingen: zelfvertrouwen en uitkomsten

Waardes

Affects

Noden

Sociale support

 

Gedurende de taak

Instructie variabelen: Docent, Feedback, Materiaal, Spullen.

Contextuele variabelen: Collega’s, omgeving.

Persoonlijke variabelen: Hoe je kennis construeert, hoe je skills verwerft, zelf-regulatie, keuze van activiteiten, inzet, volhouden.

 

Na de taak

Attributions        (de geobserveerder uitkomsten)

Doelen

Verwachtingen

Affects

Waardes

Noden

Social support

 

 

 

Achievement motivation

Kern: Hier heeft men het over het ‘streven om competent te zijn in effortful activiteiten’.


Een aantal theorieeen:

 

 

Theorie – Verwachtingen / Waarde theorie

Kern: Het gedrag hangt af van de verwachting om een bepaalde uitkomst te halen.

Er is een conflict tussen de approach (de hoop op succes) en vermijd gedrag (angst te falen)

 

Auteur: John Atkinson (1957 en verdere jaartallen)

 

 

Theorie – Familie invloeden

Kern: Motivatie hangt sterk af van factoren in het huis van de kinderen.

 

Auteur: Rosen & D’Andrade (1959)

 

Meer hedendaagse theorieen

  

Theorie – Self-Worth Theory

Zelf waarde theorie

Kern

Dit is een verdere detaillering van Atkinson’s theorie.

Het neemt aan dat succes waardevol is en dat falen, of dat men denkt gefaald te hebben, vermeden moet worden omdat die impliciet zegt dat je een lage vaardigheid hebt.

De kern is dat je jezelf vaardig acht en dit laat zien aan anderen. De kern is dat je bezien wordt als vaardig in de ogen van jezelf en dat van anderen.

 

Auteurs: Covington, 1983.

  

>> Toepassing voor Instructie

  

 

Kritiek

- Is meer van toepassing in westerse culturen

- Is maar een van de vele invloedden op motivatie.

- Oudere studenten lijken er meer door beïnvloed.

 

 

Theorie – Attribution Theory

Kern: Attribution = de perceived causes of outcomes. De waargenomen redenen van de uitkomsten.

Deze theorie is breed ingezet bij onderzoek naar motivatie.

 

Auteurs: deze theorie is het meeste toegeschreven aan Heider (1958)

Ook Rotter’s Locus of control en Heider’s naive analysis of action.

 

A. Locus of control

De plaats van controle

Kern: de meeste motivatie iets te doen komt omdat mensen controle willen uitvoeren over de belangrijke aspecten van hun leven.

Mensen denken dat uitkomsten komen door externe factoren (external locus of control) of door hun eigen gedragingen (internal locus of control)

 

>> Toepassing in instructie

- Studenten werken niet aan een taak als ze denken er geen invloed op uit te kunnen oefenen, of het negatieve resultaten zal geven.

- Als studenten denken het te kunnen halen, maar betwijfelen of ze de inzet kunnen tonen zijn ze niet gemotiveerd.

 

Kritiek

Niet duidelijk beschreven.

  

 

B. Naive analysis of action

Kern: Naive is dat een gemiddelde persoon niet bekend is met de objectieve onderdelen van gedrag. 

Heider stelt dat mensen redenen van gedrag aan externe en interne redenen. 

Outcome = persoonlijk krachten + omgeving krachten.

 

 

Motivatie – in de Social Cognitive theorie. (SoCotheo)

 

Inleiding

Mensen uit de stroming van het Social Cognitieve theorie hebben veel aandacht gegeven aan motivatie als een drijvende factor bij leren.

 

Wat namen

Bandura, 1986, 1997

Pajares, 1996

Pajares & Miller, 1994, 1995

Pajares & Schunk, 2001

Pintrich, diversen jaartallen

Schunk, 1995 en Schunk meer in samenwerking met anderen.

  

Kern: Binnen SoCotheo hebben doelen en verwachting een belangrijke rol gespeeld als leer mechanismes.

 

Definitie: Motivatie is een doel-gericht gedrag dat start en onderhouden wordt door mensen hun verwachten rond de verwachte uitkomsten van hun acties en hun self-vertrouwen bij het uitvoeren van die acties (Bandura, 1986, 1991, 1997)

  

Doelen en Verwachtingen

- Doelen en zelf-evaluatie van de voortang zijn belangrijke mechnismes voor de motivatie.

- Doelen zetten gaat samen met de verwachte uitkomsten en het zelf-vertrouwen.

- De spanning tussen de voortgang en het doel is een initiator voor verandering. 

 

Sociale vergelijking

Definitie: sociale vergelijking 

Dit is het proces van jezelf vergelijken met anderen.

(Wheeler &  Suls, 2005)

 

Kern: Als objectieve standaarden van gedraag niet duidelijk zijn of niet aanwezig, dan gaan mensen hun capaciteiten en opinies maken door te vergelijken met anderen.


Dat is de hypothese van Festinger in 1954. We kwamen die man ook tegen in zijn theorie van de Cognitive disonantie strategie.

 

Opmerkelijk: kinderen jonger dan 5 of 6 hebben dit niet want die kunnen niet twee of meer elementen in hun gedachten houden. En ze zijn egocecntric, hun ‘zelf’ domineerd hun cognitieve focus. (Higgins, 1981, hoofdstuk 6) Dit betekend niet dat ze het niet kunne, ze doen het echter niet automatisch.

Door de jaren heen gaat dit vergelijken meer gebeuren: op de basis school start dit om dan later zorgen te geven als men zich vergelijkt. Zorgen of men de taak wel goed kan doen.

Dan komt de fase dat kinderen sociale vergelijking gebruiken om bij de goed antwoorden te komen.

  

Onderdelen

- Status van je ontwikkeling is een belangrijk element in sociale vergelijking. De vaardigheid om vergelijkingen toe te passen is afhankelijk van hogere niveaus van cognitieve ontwikkeling en in de ervaring met het maken van vergelijkende evaluaties. (Veroff, 1969).

- Vergelijken van je vroegere zelf met je huidige zelf, helpt ook bij je zelf-vertrouwen en motivatie.

 

>> Toepassingen 

Het vergelijken van de voortgang van mensen bij de start en eind van een les. Hierdoor kan er een positief effect ontstaan, dat mensen zich optrekken aan een ander. De andere kant op kan ook natuurlijk…..

- Hoe geven van feedback, een evaluatie van hoe een mens het doet beïnvloed een kind meer dan hun sociale vergelijking.

- Studenten moet de mogelijkheid hebben hun frustraties en inzichten te kunnen delen.

- Geven van performance feedback is hier belangrijk en zal het zelfvertrouwen versterken.

 

 

Theorie – Goal Theorie 

Kern: Goal theorie stelt dat er een belangrijke relatie is tussen doelen, verwachtingen, eigenschappen, concepten van eigen vaardigheid, oriëntatie op motivatie, sociale en zelf vergelijkingen en prestatie gedrag. (Anderman & Wolters, 2006 en meerderen)

 

Er is een verschil tussen Goal setting en Goal Theorie.

 

Goal setting: bekijkt hoe de doelen gezet worden.

Goal theorie: bekijkt de redenen en focus van doelen.

 

Onderdelen van Goal Theorie

Onderdeel 1. Doel orientatie.

Verschillende types van doelen kunnen invloed hebben op wat het gedrag is om doelen te halen.

Doel oriëntatie is de reden waarom een student academische taken op zich neemt. Er zijn verschillende oriëntaties volgens Elliot en McGregor (2001)

 

Er is een verschil tussen leer- en performance doelen.

 

Definitie

Een leerdoel refereert naar wat kennis, gedrag, vaardigheid of strategie studenten willen verwerven.

Een leerdoel geeft focus voor de student zijn aandacht op het proces en de strategieen die zullen helpen om capaciteiten en vaardigheden te verwerven.

 

Een performance doel verteld welke taken een student moet afmaken.

 

Andere woorden voor Leerdoel zijn: ‘Mastery’, taak gefocussed doelen, taak-betrokkenheid.

 

Effecten van leerdoelen op de motivatie

Leerdoel > Zelf-vertrouwen > Motivatie voor zelf-regulatie > Waargenomen voortgang > Behaalde voordelen.

 

Effecten van performance goals op motivatie

Doel > Taak betrokkenheid > Sociale vergelijking > Ability assessment.

 

 

>> Toepassingen

- Leerdoelen, 

- Performance doelen, kunnen leiden tot sociale vergelijking. En dan komt de mindset naar boeven en de verschillen daar. Growth en Fixed mindset. > Zie mijn werk daarover elders.

 

 

 

Onderdeel 2. Concepten van eigen kunnen.

Kern: Hoe je over je eigen kunnen nadenkt bepaald hoe je doel orientatie is.

 

>> Toepassing

Hier de toepassingen van het onderzoek van Dweck. Zie elders in mijn werk.

 

Growth mindset: je denkt dat leren je algemenen kennis en vaardheid zal vergroten.

Fixed mindset: je denkt dat je maar tot een bepaald niveau kan komen.

 

 

 

Onderdeel 3. Waargenomen controle

 

Deel – Control Beliefs

Kern:

 

 

Onderdelen

- Er zijn drie types van beliefs die een bijdrage hebben aan waargenomen controle (Skinner, Wellborn & Connel, 1990): 

1. Strategische beliefs

Verwachtingen over de factoren die een invloed hebben op je success

2. Capaciteits beliefs

Welke capaciteiten je denkt het hebben in vaardigheid, anderen en geluk.

3. Controle beliefs.

Hoe je denk over je vaardigheid jezelf te controleren. ‘Ik kan het goed als ik wil‘. 

 

Toepassing

- De waargenomen controle doro een student over zijn taken en uitkomsten zijn een kritsche factor in motivatie. (Schunk & Zimmerman, 2006)

- Waargenomen controle vormt ook het belief system van ‘aangeleerde hulpeloosheid’.

- Als mensen het ideen hebben dat ze controle hebben over hun omgeving, dan tollereren ze stimulie beter en performen op een hoger niveau. Tip: het onderzoek met luid geluid die een groep niet en een andere groep wel kon uitzetten. Glass & Singer, 1972.

- Geeft a) guidelines en Feedback. En b) toon Betrokkenheid.

 

 

***

Blog inleiding

Iedereen verplicht je. Hulpeloos?

 

Herken je eigen gedrag van ‘Hulpeloos’ zijn en waar die uit zou kunnen komen. In deze tijd waar je veel afleiding niet meer is, worden mensen meer op zichzelf geworpen. Dat kan bij mensen verschillende gedragingen oproepen. In dit artikel zoom ik in op de ‘hulploosheid’ die mensen stellen als gedrag. Het is een klein onderdeel van mijn studie, maar leek me zinvol wellicht eens te publiceren.

***

 


Deel – Aangeleerde hulpeloosheid

Note RR: heel interessant onderwerp. Mensen die er last van hebben kom ik veel tegen...

Kern

- Het is een psychologisch stadium waarin er een verstoorde vorm is van motivatie, cognitieve processen en emoties doordat er eerder een ongecontroleerde ervaring is geweest. (Maier & Seligman, 1976)

- Het is aangeleerd door een situatie waar je niets aan kon doen. Waar je geen controle over had.

- Dit is een psychologisch fenomeen dat de perceptie van controle laat zien.

 

Onderzoek

Hulpeloosheid is onderzocht in een laboratorium setting waarbij honden schokken werden gegeven waar ze niet van konden ontwijken. Daarna werden ze in een hok geplaats waar ze de schokken wel konden ontwijken, maar dat deden ze dan niet, ze deden weinig om de schokken te ontwijken. Dan nam men een andere groep honden, die niet de eerdere ervaring hadden van niet kunnen ontwijken van de schok, en die groep leerde snel hoe ze de schokken konden ontwijken. 

 

- Passiviteit is een vorm van hulpeloosheid. Mensen doen niets als ze denken dat ze niets aan de situatie kunnen doen. 

- Hulpeloosheid maakt dommer. Mensen en dieren die blootgesteld worden aan schijnbaar oncontroleerbare situaties leren niet adaptief om te gaan met nieuwe situaties.

- Emotioneel verander je. Van eerst een agressieve reactie ga je over naar een passieve houding.

 

Uitleg van het gedrag, in drie elementen volgens Seligman. (Abramson, Seligman & Teasdale, 1978)

 

Het gedrag kan komen uit spanning op drie vlakken:

1. Stabiel – Onstabiel

2. Algemeen – Specifiek

3. Intern – Extern

 

Uitleg bij Stabiel – Onstabiel

Is iemand Negatief op een Stabiele situatie, dan is het effect = hulpeloosheid. (‘ik ben altijd te laat’).

 

Is iemand Positief of neutraal op een Stabiele situatie dan is het effect = minder hulpeloosheid. (‘ik ben te laat als het weer slecht is’)

 

Uitleg bij Algemeen – Specifiek

Ben je negatief over een Algemeen iets, dan is het effect = meer hulpeloosheid gevoel. (alles met geschiedenis kan ik niet). 

Ben je negatief over een specifiek iets, dan is het effect = minder hulpeloosheid. 

 

Uitleg bij Intern – Extern

Ben je negatief over iets Intern, dan is het effect = meer hulpeloosheid. (ik ben niet zo slim)

Ben je negatief over iets Externs, dan is het effect = minder hulpeloosheid. (het ligt aan de docent, die geeft verkeerde testen)

 

Concluderend: mensen die zich hulpeloos voelen en gedragen zijn meestal mensen die denken ‘Ik doe het slecht in een opleiding omdat ik niet erg slim ben’. Dus een uitleg hebben die gaat over een Stabiele situatie, die Intern is, en Algemeen.

 

Advies

Ga op zoek naar jouw gedachten over je situatie en hoe het komt dat je er zo over denkt. Breek dan los daarvan. Of niet, maar probeer iets te doen aan je situatie. 

 

> one must be the master of her circumstances.

? evt plaatje.

 

Zelf-concept

Definitie: Zelf-concept is iemand zijn collectieve set van zelf-perceptions die a) gevormd zijn door ervaringen met en interpretaties van de omgeving en b) zwaar worden beïnvloed door de bekrachtigen en evaluaties van andere personen. (Shavelson & Bolus, 1982)

 

Zelf-waardering

Definitie: Zelf-waardering is de waargenomen gevoel van eigen waarde, of de mate waarin iemand zichzelf accepteert en respecteert.

 

Zelf-vertrouwen

Definitie: de mate waarin iemand geloofd dat die iets kan produceren, resultaten kan halen en taken competent kan uitvoeren.

 

De zelf-waardering evalueert het zelf-concept.

 

Procesgang:

Zelf-waardering > maakt dat je denkt taken goed te kunnen uitvoeren > dat maakt je dat zelf-vertrouwen toeneemt > dat maakt dat je zelf-concept vergroot.

 

 

Zelf-concept en Leren

Er is een positief verband tussen zelf-concept en leren zo voelen we aan. Studenten die zelfverzekerd zijn en eigenwaarde hebben laten meer interesse en motivatie zien in een school die de voortgang helpt.

 

Echter……

Deze gedachte wordt niet ondersteund door onderzoek.

- Er blijkt wel verband te zijn tussen prestaties en specifiek zelf-concept, dan bij algemeen zelf-concept. 

- De hoogste correlatie zit bij domein specifieke zelf-concepts. (‘ik ben goed in xyz’.

 

>> Toepassing 

Toepassing 1.

- Wakker het zelf-concept in een domein aan. Dat zal dan zelf-vertrouwen vergroten en dat zal dan weer de prestaties vergroten.

 

Onderzoek bewijst:

- Er is een sterke positieve relatie tussen een ‘domein specifiek zelf-concept’ en prestaties. Pajares & Schunk, 2001, 2002, 2005, 2009)

- Een positieve zelf-vertrouwen voorspeld goede prestaties laat veel onderzoek zien. (Bandura, 1997; Pajares, 1996; Schunk, 1995)

 

Toepassing 2.

Wees specifiek in een specifiek vakonderwerp.

- Domein specifieke interventies hebben een positief effect op het zelf-concept, dan algemene interventies zegt onderzoek. Docenten die studenten laten zien dat ze a) kunnen leren en b) welke voortgang ze maken in specifieke gebieden, die c) modellen goed gebruiken en d) het vergelijken tussen studenten verminderen helpen studenten positief in hun studieresultaten via een zelf-concept. 

 

Intrinsieke motivatie

 

Kern: Definitie: Intrinsieke motivatie refereert aan een wens om actief te zijn in een activiteit om geen andere reden dan de activiteit zelf te doen. (Deci, 1975)

 

Kern

 

Intrinsieke motivatie. Mensen die bezig zijn met iets vanuit hun intrinsieke motivatie zitten volledig in een flow met hun activiteiten. Flow is een persoonlijk proces en reflecteert zelfstandige motivatie die komt uit het ontdekken van nieuwe doelen en beloningen die een gevolg zijn van het interacteren met de omgeving. (Csikszentmihalyi & Rathunde, 1993)

Extrinsieke motivatie. Dit is motivatie waarbij je actief bent in een activiteit voor geen andere reden dan de taak zelf. Deze activiteit is een middel om ergens te raken.

 

Onderzoek bewijst

- Dat interesse in leren een positief effect heeft op cognitieve processen en prestaties. (Alexander & Murphy, 1998)

 

Theorieën

 

Theorie – Effectance Motivation

Kern: Een causaal effect van een object op de omgeving.

Dit is te zien als kinderen reageren op voorwerpen in hun omgeving.

Auteur: White, 1959.

 

Kritiek

Dit is een heel algemene theorie, die niet concrete effecten op studie laat zien of handteerbare middelen geeft.

 

 

Theorie – Mastery Motivation model.

Kern: Niet alleen success maar de balans tussen success en falen maakt de motivatie. Harter maakte daar een model van

Auteur: Harter, 1979, 1981.


>> Toepassing

Deze theorie van Harter wordt het meeste gebruikt in de sport.

 

Kritiek/support

Support

Veel onderzoek ondersteund het model.

 

Kritiek

Het model leunt erg op de sociale aspecten van motivatie. Die zijn belangrijk maar onderzoek laat zien dat ook zaken als doelen zetten, zelf-regulatie belangrijk zijn.

 

Zelf-bepaling

Kern: Definitie: Intrinsieke motivaite is een natuurlijke mensenlijke behoefte en stamd voort uit kindern die een niet onderscheiden behoefte hebben aan competent zijn en zelf-bepaling te willen. Als de kinderen ouder worden dan gaat de bhoefte van algemeen competent zijn, naar meer specifieke gebieden. En dat wordt beinvloed door externe factoren.

- De zelf-bepaling gedachte 

- Motivatie is als concept een continuum: externe motivatie factoren hebben een invloed op de interne gedachtes en zullen op termijn geinternaliseerd worden en onderdeel worden van de motivatie.

 

Een theorie is dat er vier bronnen van intrinsieke motivatie zijn:

1. Uitdaging

2. Nieuwgierigheid

3. Controle

4. Fantasie

 

>> Toepassingen

- Punten toekennen is externe waardering. Zie het onderzoek dat als het eerst eigen waardering is voor een taak, mensen hard werken, als er later een beloning aan gehangen wordt, valt het harde werken wat weg.

 

>> Toepassing - Achievement motivatie training.

Dit is een training waarbij je studenten helpt dezelfde gedachten en gedrdag te gaan vertonen als studenten de successvol zijn. (de Charms, 1968, 1984)

Alderman (1985, 1999) adviseert drie dingen:

1. Help studenten met het zetten van realistische doelen en geef feedback op hun voortgang.

2. Laat studenten zichzelf bestuderen over waar hun motivatie ligt en hoe ze persoonlijke verantwoordelijkheid kunnen nemen.

3. Een onderscheid maken tussen taak en ego lijkt zinvol. Een serie vragen aan studenten over hoe ze zich voelen over een taak en wat ze zien als hun doel helpt. 

 

>> Toepassing – Verander de toekenning programma.

Atrribution Change programs.

Kern: Het vergroten van de motivatie door het veranderen van de studenten zijn wijze waarop die oorzaken toewijst aan zijn succes en falen.

Auteur: Dweck (1975)

 

>> Toepassing – Doel orientaties

Kern: Doel theorie en onderzoek suggereren verschillende wegen waarin docenten een productieve doel oriëntatie kunnen zetten. 

- Docenten kunnen studenten helpen hun geloof in hun beperkte kunnen te vergroten.

- Kunnen het nut van inspanning aangeven en daarmee belang van motivatie.

 

Hoe te helpen een leer-doel oriëntatie te krijgen:

Tip 1: Geven van feedback op de voortgang. Dus proces feedback.

Tip 2: Meer activiteiten doen die studenten met mekaar moeten doen. Een oriëntatie op de taak (is growth mindset) en niet op de ego oriëntatie (fixed mindset).

Tipo 3: Help studenten aan leerdoelen.